Snijders, Cornelis Jacobus (1852-1939)

 
English | Nederlands

SNIJDERS, Cornelis Jacobus (1852-1939)

Snijders, Cornelis Jacobus, Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht (Nieuwe Tonge 29-9-1852 - Hilversum 26-5-1939). Zoon van Cornelis Jacobus Snijders, arts, en Sara Maria Muller. Gehuwd op 17-5-1883 met Johanna Adriana Everdina de Bruijn. Uit dit huwelijk werd 1 zoon geboren. Na haar overlijden (14-4-1918) gehuwd op 5-6-1930 met Wilhelmina Margretha Attine Meijer. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. afbeelding van Snijders, Cornelis Jacobus

Snijders bezocht vanaf 1865 de HBS te Middelburg, maar maakte deze niet af. In 1869 deed hij met goed gevolg toelatingsexamen voor de Koninklijke Militaire Academie (KMA) te Breda, waar hij gedurende drie jaar de genieopleiding volgde. Op 26 juli 1872 werd hij benoemd tot tweede luitenant bij het Korps Ingenieurs, Mineurs en Sappeurs. Eerder had ook zijn oudere broer Willem voor een loopbaan als militair gekozen. Deze bereikte de functie van inspecteur der Infanterie en zou in 1905 als luitenant-generaal de dienst verlaten.

Snijders' carrière als genieofficier begon met een plaatsing bij de staf van de Eerste Stelling der Genie te Honswijk en Utrecht (1872/1873). Hierop volgde een tweejarig verblijf in Nederlands-Oost-Indië, waar hij deelnam aan diverse krijgsverrichtingen. Daarbij onderscheidde hij zich dusdanig dat hij op 12 november 1875 werd benoemd tot Ridder 4e klasse der Militaire Willemsorde. In het desbetreffende Koninklijk Besluit wordt melding gemaakt van zijn leidinggevende rol bij het oprichten van versterkingen bij Kota Alam (13-12-1874) en te Missigit Longbattah (eerste helft van januari 1875).

Na zijn terugkeer in Nederland was Snijders, inmiddels op 18 april 1875 bevorderd tot eerste luitenant, opnieuw werkzaam bij de staf van de Eerste Stelling der Genie te Utrecht. Van 1876 tot 1880 was hij als leraar in de versterkings- en pionierskunst verbonden aan de KMA. Hierna werd hij gedurende twee jaar tewerkgesteld bij de staf van de Vijfde Stelling der Genie te Dordrecht. Van juli 1882 tot juni 1886 verbleef Snijders vervolgens te Maagdenburg om toezicht te houden op de vervaardiging van twee pantserkoepels bestemd voor het in aanbouw zijnde kunstfort op de Harssens bij Den Helder. Tijdens zijn verblijf in Maagdenburg werd hij op 5 februari 1883 benoemd tot kapitein.

Terug in Nederland volgde een plaatsing van ruim een jaar bij het Korps Genietroepen. Op 1 september 1887 werd hij hoofd van onderwijs voor de genievakken aan de KMA, een functie die hij bleef vervullen tot eind augustus 1894 en vanaf 1 september 1888 combineerde met het hoofdredacteurschap van De Militaire Spectator. Na een korte plaatsing bij de Staf der Genie te Amsterdam was Snijders vervolgens van 1 december 1895 tot juli 1901 eerstaanwezend ingenieur te Gorinchem. Bij zijn bevordering tot majoor op 29 juli 1901 werd hij overgeplaatst naar Haarlem, waar hij eveneens werd belast met de functie van eerstaanwezend ingenieur. Tijdens zijn verblijf te Haarlem werd hij benoemd tot luitenant-kolonel. Met ingang van 20 juni 1904 werd Snijders commandant van het Ie Geniecommandement te Utrecht. Deze post bekleedde hij tot eind april 1908. Zijn benoeming tot kolonel vond plaats op 16 juli 1906.

Op 30 april 1908 werd Snijders belast met de waarneming van de functie van souschef van de Generale Staf. Zijn plaatsing baarde opzien. Hij had immers, conform een ongeschreven regel voor genieofficieren, afgezien van een studie aan de Hoogere Krijgsschool, die traditioneel de weg opende voor een carrière bij de Generale Staf. Kennelijk stuitte dit intern op zo weinig bezwaren dat reeds op 16 juli 1908 Snijders' definitieve benoeming volgde tot souschef van de Generale Staf onder gelijktijdige bevordering tot generaal-majoor. In het volgende jaar trad hij langdurig op als vervanger van zijn door ziekte gevelde chef, luitenant-generaal F.N. Thiange. Na diens overlijden werd echter niet Snijders maar luitenant-generaal F.H.A. Sabron tot opvolger benoemd. Toen echter ook Sabron op zijn beurt met gezondheidsproblemen te kampen kreeg, stond niets meer de benoeming van Snijders tot chef van de Generale Staf in de weg. Hij aanvaardde zijn nieuwe functie op 1 juli 1910; op 31 maart 1911 volgde zijn bevordering tot luitenant-generaal.

Toen de internationale spanningen in juli 1914 toenamen en leger en vloot werden gemobiliseerd, werd Snijders op 31 juli tot Opperbevelhebber van Land- en Zeemacht (OLZ) benoemd. Op 9 augustus volgde zijn bevordering tot generaal. In de uiteindelijke redactie van de instructie op basis waarvan Snijders het opperbevel zou gaan uitoefenen, werd bepaald dat hij verantwoording verschuldigd was aan het kabinet, terwijl aan hem verstrekte opdrachten of bevelen ter zake van het krijgsbeleid vooraf door de Koningin moesten zijn goedgekeurd.

Snijders wist op bekwame wijze leiding te geven aan de gemobiliseerde Nederlandse krijgsmacht. Zijn weloverwogen, maar kordate optreden boezemde vooral in militaire kringen veel vertrouwen in. De relatie met het kabinet liet daarentegen te wensen over. Snijders raakte er met het verstrijken van de oorlogsjaren steeds sterker van overtuigd dat een strikte afzijdigheidspolitiek, zoals het kabinet voorstond, uit militaire overwegingen in feite niet haalbaar was. Hij meende dat de kwaliteit van het Nederlandse defensieapparaat onvoldoende was om in een conflictsituatie gelijktijdig strijd te leveren tegen de Entente en tegen de Centralen. Op grond hiervan verzocht hij het kabinet op 22 februari 1915 nadere instructies. Met name wenste hij te vernemen of de ministerraad van plan was de neutraliteit tegenover beide partijen op gelijke voet en tot het uiterste te handhaven dan wel of oorlog met één der beide partijen reeds bij voorbaat moest worden uitgesloten. Was dit laatste inderdaad het geval, dan was hij gaarne bereid de daartoe nodige maatregelen te treffen. Het kabinet liet in zijn antwoord van 26 februari van dat jaar duidelijk uitkomen dat het zijn onpartijdig standpunt onverkort wenste te handhaven. In de opstelling van de ministerraad is nadien geen wijziging meer opgetreden.

In 1916 en 1917 deed de opperbevelhebber andermaal vergeefse pogingen het kabinet ertoe te bewegen meer duidelijkheid te verschaffen over de gewenste strategie in het geval Nederland metterdaad in de oorlog betrokken zou raken. Daarbij liet hij nog in het midden aan welke zijde hij zich wenste te scharen. In april 1918, toen de zand- en grindkwestie haar climax bereikte, gaf hij de minister van Oorlog, jhr. B.C. de Jonge (1917-1918), echter duidelijk te kennen dat hij een oorlog met de Entente prefereerde boven een oorlog met Duitsland, die hij a priori als 'doelloos' meende te moeten bestempelen.

In het licht van de grote opofferingen die het kabinet zich in de voorgaande jaren ten behoeve van de landsverdediging had getroost, nam De Jonge deze laatste kwalificatie zeer hoog op. Hij stelde zich op het standpunt dat een opperbevelhebber die de Nederlandse weerstand tegen een eventuele Duitse aanval bij voorbaat zinloos achtte, niet langer kon worden gehandhaafd. Alle leden van het kabinet, met uitzondering van minister-president P.W.A. Cort van der Linden, deelden deze opvatting. Zij verklaarden zich bereid met De Jonge af te treden, indien de opperbevelhebber niet van zijn post zou worden ontheven.

Snijders' dagen leken geteld, maar vooral dank zij de krachtige steun van koningin Wilhelmina, die niet met zijn ontslag wenste in te stemmen, kon hij zijn functie vooralsnog behouden. Op 17 mei 1918 ging De Jonge in de ministerraad schoorvoetend akkoord met het voorstel van Cort van der Linden - de minister-president wenste een kabinetscrisis in het zicht van de verkiezingen ten koste van alles te voorkomen - om de kwestie in afwachting van een nota waarin Snijders zijn standpunt nader zou toelichten, voorlopig te laten rusten en nog geen definitieve beslissing te nemen.

Bij het aantreden van het kabinet-Ruijs de Beerenbrouck in september 1918 werd Snijders' instructie gewijzigd. Thans werd bepaald dat de OLZ, behoudens in een concrete oorlogssituatie, niet onder het kabinet, maar onder de ministers van Oorlog en van Marine ressorteerde. Snijders weigerde dit te accepteren en stelde tevergeefs pogingen in het werk de oude regeling opnieuw van kracht te doen worden. Hierna stapelde de conflictstof zich verder op. Uiteindelijk werden de ongeregeldheden in de legerplaats bij de Harskamp op 25 oktober, een reactie op het intrekken van de gewone verloven in verband met een dreigende schending van de Nederlandse neutraliteit door terugtrekkende Duitse troepen, aangegrepen om de OLZ buiten spel te manoeuvreren. Op 1 november besloot de ministerraad een commissie te benoemen die zou moeten rapporteren over de rellen op de Harskamp, de algemene toestand in het leger en over eventueel noodzakelijke hervormingen. Snijders achtte dit niet aanvaardbaar, aangezien hij zelf reeds een onderzoek had gelast, en eiste intrekking van het besluit, hetgeen door het kabinet werd geweigerd. Op 6 november, daags nadat P.J. Troelstra in de Tweede Kamer het ontslag van Snijders had geëist, deelde minister van Oorlog, jhr. G.A.A. Alting von Geusau (1918-1920), de OLZ mee dat hij het leger wenste te reorganiseren. Hij voegde daaraan toe dat hij Snijders niet de aangewezen persoon achtte om die reorganisatie voor zijn rekening te nemen. De generaal bood daarop zijn ontslag aan, hetgeen hem bij KB van 9 november 1918 op de meest eervolle wijze werd verleend.

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog leidde Snijders zeker geen teruggetrokken bestaan. Op tal van fronten was hij actief. Zo kantte hij zich als pleitbezorger voor een adequaat defensieapparaat in woord en geschrift tegen het streven naar eenzijdige ontwapening. In dit verband is vooral vermeldenswaard het legendarische debat dat hij op 30 april 1924 in de zaal van de Haagse Dierentuin voerde met een van de meest vooraanstaande voorvechters van eenzijdige ontwapening, de fractievoorzitter van de Vrijzinnig-Democratische Bond in de Eerste Kamer, prof. D. van Embden. Daarnaast spande Snijders zich in voor de uitbreiding van de Nederlandse luchtvaart. Hij had als chef van de Generale Staf mede aan de basis gestaan van de Militaire Luchtvaartafdeeling, die op 1 juli 1913 was opgericht, en was daarna met veel belangstelling de snelle ontwikkelingen rond het luchtverkeer blijven volgen. In 1920 onderzocht hij op verzoek van de KLM de mogelijkheden voor de burgerluchtvaart in Nederlands-Indië. Bovendien was hij enkele jaren later nauw betrokken bij de totstandkoming van een permanente luchtverbinding tussen Nederland en Nederlands-Indië. In het kader van deze activiteiten maakte hij drie reizen naar Nederlands-Indië.

Ofschoon Snijders zich van jongsaf aan allerminst tot het politieke bedrijf aangetrokken had gevoeld, aanvaardde hij in 1932 op 80-jarige leeftijd het erevoorzitterschap van het rechts georiënteerde antidemocratische Verbond voor Nationaal Herstel, een functie die hij tot 1937 bleef vervullen. In 1933 trad hij bij de Tweede-Kamerverkiezingen op als lijstaanvoerder van deze partij. Niet geheel zonder succes. Hij werd gekozen, maar stond zijn zetel af aan de nummer twee op de lijst, W.M. Westerman.

Snijders heeft talrijke publikaties op zijn naam staan. In samenwerking met R. Dufour publiceerde hij in 1927 een diepgaande studie over het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. H. Brugmans bestempelde deze publikatie in het Tijdschrift voor Geschiedenis (TvG) 43 (1928) 337-343 als pro-Duits en te eenzijdig militair-gericht, hetgeen voor de beide auteurs van het boek aanleiding vormde tot een uitgebreide repliek, die werd afgedrukt in TvG 44 (1929) 250-262. Snijders verzorgde verder met collegae-officieren enkele leerboeken voor de KMA en publiceerde daarnaast in diverse tijdschriften, in het bijzonder De Militaire Spectator en De Ingenieur.

Zeker in het militaire milieu stond Snijders hoog aangeschreven, maar ook in wijder kring gold hij tijdens en nog lang na de Eerste Wereldoorlog als een gezaghebbend militair bij een ruim publiek dat doortastende en krachtige bewapening voor Nederland voorstond. Hij bleef bekend als een bekwaam organisator, was eerlijk en doortastend en beschikte over een groot rechtsgevoel. Op grond van zijn vele verdiensten verwierf hij talrijke binnen- en buitenlandse onderscheidingen. Zijn nagedachtenis wordt door twee gedenktekenen levend gehouden, het Generaal Snijdersmonument in het Militaire Luchtvaartmuseum te Soesterberg en een bronzen plaquette, ingemetseld in de gevel van het golfslagbad aan de boulevard in Scheveningen. Verder verdient vermelding dat in 1934 de toenmalige infanteriekazerne aan de Gelderselaan te Nijmegen, thans in gebruik bij de Koninklijke Luchtmacht, werd vernoemd naar generaal Snijders.

P: Veldversterkingskunst. Leerboek voor de cadetten van alle wapens. Met atlas. (Breda, 1899) 3e dr. bew. door T. Bodenhausen, 1911); met P.C.J. Noorduijn en F.R. van Roijen, Duurzame en tijdelijke versterkingskunst. Leerboek voor de cadetten van alle wapenen. Met atlassen. (Breda, 1901. 2 dl.). Versch. herdr.; C.J. Snijders en J.H.A. Mijsberg, Handboek der pionierkunst voor het Nederlandsche leger (Schiedam, 1903-1908. 3 dl.); met R. Dufour, De mobilisatiën bij de groote Europeesche mogendheden in 1914 en de invloed van de generale staven op het uitbreken van den wereldoorlog. Bijdrage tot het onderzoek naar de oorzaken van den wereldoorlog (Leiden, 1927).

L: W.G. de Bas, 'Generaal C.J. Snijders 1852 - 29 september 1932. Grepen uit diens rijk en welbesteed leven', in Mavors 26 (1932) 385-395; [Red.], in De Militaire Spectator 101 (1932) 632-634; N. Bosboom, In moeilijke omstandigheden Augustus 1914 - Mei 1917 (Gorinchem, 1933) 201-217; H. Minkenhof en W. Hulstijn, Hoe generaal [C.J.] Snijders zijn eigen loopbaan zag [Amsterdam, 1939]; G.C. Beltman, in De Ingenieur 54 (1939) A 375-A 379; [Red.], in De Militaire Spectator 108 (1939) 232; D. van den Berg, Cornelis Jacobus Snijders (1852-1939). Een leven in dienst van zijn Land en Volk. Eene levensbeschrijving, mede steunende op zijne eigen "Herinneringen" (['s-Gravenhage], 1949); C.T. de Jong, 'De Nederlandse neutraliteit tijdens de Eerste Wereldoorlog', in Tijdschrift voor Geschiedenis 65 (1952) 257-271; Honderdvijftig jaar Generale Staf, 1814 - 11 maart - 1964. Overzicht van de ontwikkeling van de Koninklijke Landmacht ('s-Gravenhage, 1964) 89-100; Herinneringen van Jhr.Mr. B.C. de Jonge met brieven uit zijn nalatenschap. Uitg. door S.L. van der Wal (Utrecht, 1968) 12-17, 30-32, 40-53; H.J. Scheffer, November 1918. Journaal van een revolutie die niet doorging (Amsterdam, 1968) 20-25; C. Smit, Nederland in de Eerste Wereldoorlog (1899-1919) (Groningen, 1971-1973. 3 dl.) III, 11-23; J.W. Bonebakker, Twee verdienstelijke officieren [N. Bosboom en C.J. Snijders] (Nieuwkoop, [1974]); F. Snapper, 'De gevechtswaarde van de Nederlandse Landmacht tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog', in Mars et Historia 21 (1987) 1 (januari/ februari) 7-14.

I: Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld. Onder hoofdred. van H.P. van den Aardweg (Amsterdam 1938) 1379.

J.A.M.M. Janssen


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 3 (Den Haag 1989)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013