Best, Petrus Wilhelmus (1881-1960)

 
English | Nederlands

BEST, Petrus Wilhelmus (1881-1960)

Best, Petrus Wilhelmus, legerofficier (Amsterdam 19-1-1881 - 's-Gravenhage 13-3-1960). Zoon van Abraham Best, schilder, en Anna Maria Elisabeth Prince. Gehuwd op 7-2-1907 met Isabella Sophia Boele. Uit dit huwelijk werden 1 zoon en 1 dochter geboren. afbeelding van Best, Petrus Wilhelmus

Reeds op jeugdige leeftijd ging de belangstelling van Piet Best uit naar een militaire carrière. Zestien jaar oud meldde hij zich bij de Cadettenschool in Alkmaar, waar hij in 1899 het aspirantenexamen aflegde, dat toegang gaf tot de Koninklijke Militaire Academie in Breda. Hier ontving hij een opleiding tot artillerieofficier, die in 1902 werd afgesloten met een benoeming tot tweede luitenant bij het 2e Regiment Vestingartillerie. Bij dit onderdeel zou hij ruim zes jaar dienst doen, alvorens in 1908 - inmiddels bevorderd tot eerste luitenant - onder het bevel van de commandant van de Stelling Amsterdam te worden gesteld. Vanaf november 1910 was hij gedetacheerd bij de Hoogere Krijgsschool in Den Haag om er de driejarige stafcursus te volgen.

Toen in de zomer van 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, was Best juist overgeplaatst naar het 2e Regiment Veldartillerie. Bij dit onderdeel zou hij het grootste gedeelte van de mobilisatieperiode werkzaam zijn, sinds november 1916 in de rang van kapitein. In het laatste oorlogsjaar werd Best als toegevoegd officier overgeplaatst naar de Generale Staf, een functie die hij vervulde tot 1924. Vervolgens was hij als officier van de Generale Staf werkzaam bij het departement van Oorlog. In mei 1927 volgde zijn bevordering tot majoor. Van 1928 tot mei 1930 was Best hoofdinstructeur bij het 8e Regiment Veldartillerie om daarna voor de tweede keer te worden overgeplaatst naar de Generale Staf, nu als commandant van de Etappen- en Verkeersdienst. In oktober 1930 kreeg hij de rang van luitenant-kolonel.

Na meer dan vijftien jaar als stafofficier werkzaam te zijn geweest, werd Best op 1 november 1933 plotseling benoemd tot commandant van de Luchtvaartafdeeling, de militaire vliegdienst van het leger (waaruit later de Koninklijke Luchtmacht voortkwam). Aangezien hij tevoren nooit iets met de militaire luchtvaart te maken had gehad, ambieerde hij deze functie niet. Bovendien was hij goed op de hoogte van de uitermate stroeve samenwerking die er indertijd bestond tussen de Luchtvaartafdeeling en het Luchtvaartbedrijf, dat verantwoordelijk was voor het technisch onderhoud en de aankoop van militaire vliegtuigen. Ofschoon Best reeds snel tot de conclusie kwam dat hij in een 'heel bedenkelijk commando' was terechtgekomen, trad hij van meet af aan energiek op om de 'deplorabele' toestand te verbeteren. Confrontaties ging hij daarbij niet uit de weg.

Aanvankelijk vond Best bij minister van Defensie L.N. Deckers (1929-1935) weinig weerklank voor zijn pleidooien om - naast verbeteringen in de organisatie en in de bevelsverhouding - snel over te gaan tot de aanschaf van nieuw vliegtuigmaterieel. 'We vliegen eigenlijk op oud roest', meldde hij de bewindsman, toen deze niet op een door hem geconcipieerde nota reageerde. De materieelsituatie verslechterde echter verder, zodat in 1934 - na enkele ongevallen en het optreden van steeds meer technische mankementen - zelfs het vliegen met een groot aantal lestoestellen moest worden gestaakt. Daarmee was voor Best, inmiddels kolonel, een onaanvaardbare toestand ontstaan. Wederom drong hij bij de minister aan op het vrijmaken van middelen voor de opbouw van het luchtwapen. Ditmaal kon hij een zeer bescheiden modernisering van de luchtvloot forceren.

Mede door Bests toedoen kwam in 1935 de Inspectie der Militaire Luchtvaart tot stand, waardoor een einde werd gemaakt aan de schrijnendste competentievraagstukken tussen de Luchtvaartafdeeling en het Luchtvaartbedrijf. Een jaar later ging men, naar buitenlands voorbeeld, over tot de in verband met de kwetsbaarheid dringend gewenste spreiding van de luchtstrijdkrachten. De Jachtvliegafdeling werd toen overgeplaatst van Soesterberg - waar tot die tijd praktisch alle militaire vliegtuigen waren geconcentreerd - naar Schiphol. Verder zorgde Best tijdens zijn commandantschap voor een scherpere selectieregeling voor vliegers, alsmede voor een verbetering van de vliegtuigbewapening en terreinverlichting.

Hoe de luchtverdediging zich in zijn ogen in de nabije toekomst zou dienen te ontwikkelen zette Best in maart 1937 uiteen in een lezing, getiteld 'Een en ander over gebruik en organisatie van Nederlandsche luchtstrijdkrachten bij den landoorlog' (gepubliceerd in: Orgaan der Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap (1936/1937) 236-315). In deze voordracht, die in brede kring de aandacht trok, voorspelde hij dat in een toekomstig militair treffen de tegenstander zich door een onverwachte strategische overval, zonder oorlogsverklaring vooraf, met behulp van sterke, gemotoriseerde strijdkrachten, in combinatie met energiek uitgevoerde luchtaanvallen op de vliegvelden, van Nederland zou trachten meester te maken. Bovendien ontvouwde hij in deze lezing een plan om binnen drie jaar te komen tot een moderne, geïntegreerde luchtverdediging onder een centraal geleid commando.

Enkele weken na zijn lezing werd Best - onder gelijktijdige bevordering tot generaal-majoor - overgeplaatst naar Amersfoort, waar hij de functie van commandant der 4e Divisie, tevens bevelhebber in de 4e Militaire Afdeeling, ging vervullen. Daarmee kwam tijdelijk een einde aan zijn rol bij de opbouw van de militaire luchtvaart. Op 1 november 1938 werd Best echter door minister van Defensie J.J.C. van Dijk (1937-1939), die van zijn lezing uit 1937 en diens brede visie op de toekomstige oorlogvoering onder de indruk was geraakt, benoemd tot commandant Luchtverdediging. Hij moest nu leiding geven aan een nieuw gevormd centraal commando, dat rechtstreeks onder de chef van de Generale Staf ressorteerde en dat leiding gaf aan alle militaire onderdelen die een luchtverdedigingstaak dienden te vervullen.

Als commandant Luchtverdediging getroostte Best zich veel inspanningen om de organisatie te stroomlijnen, alsook om nieuwe vliegtuigen en afweermiddelen aan te schaffen. In verband met de in augustus 1939 afgekondigde mobilisatietoestand en de steeds verder toenemende internationale spanningen kon hij zijn plannen slechts ten dele verwezenlijken. Best, die ernstig rekening hield met het gevaar van Duitse luchtlandingen op en bij de Nederlandse vliegvelden, drong er meermalen op aan deze met grondtroepen te versterken. In februari 1940 - inmiddels bevorderd tot luitenant-generaal - typeerde Best de paraatheid der afweermiddelen als 'bepaaldelijk onaanvaardbaar'. Eerst na de Duitse luchtlanding bij Oslo in april van dat jaar werd Best in de gelegenheid gesteld de door hem bepleite extra maatregelen te treffen. Toen op 10 mei 1940 metterdaad omvangrijke Duitse luchtlandingsoperaties bij de Nederlandse vliegvelden plaatsvonden, konden deze hierdoor grondig worden verstoord en werden aan de vijand zware verliezen toegebracht, vooral aan transportvliegtuigen, waarvan er meer dan 220 werden uitgeschakeld. De vooruitziende blik van de commandant Luchtverdediging droeg aldus in belangrijke mate bij tot de verijdeling van de Duitse poging het Haagse zenuwcentrum van de Nederlandse verdediging snel uit te schakelen en de koninklijke familie en regering gevangen te nemen.

Enkele uren na het uitbreken van de vijandelijkheden werd Best door opperbevelhebber generaal H.G. Winkelman, met behoud van het bevel over de gehele luchtverdediging, toegevoegd aan het commando van de Vesting Holland. Aangezien de leiding van dat commando ernstig was onderbezet, hield Best zich tijdens de oorlogsdagen voornamelijk bezig met het bevel over de Vesting Holland, de leiding over de luchtverdediging grotendeels overlatend aan zijn chef staf, kolonel V.E. Wilmar.

Na de capitulatie van het Nederlandse leger, op 15 mei 1940, was Best één van de weinige officieren van landmacht en marine die weigerden de 'ehrenwörtliche Erklärung' te ondertekenen. Hierbij moest men beloven zich op geen enkele manier tegen het Duitse rijk te zullen verzetten. Hij werd daarom als krijgsgevangene aanvankelijk naar de Duitse vesting Hohenstein en later naar het stadje Troppau in Bohemen afgevoerd. Tijdens zijn krijgsgevangenschap verslechterde Bests gezondheidstoestand en in de herfst van 1941 werd hij naar een veldlazaret overgebracht. Zijn artsen deelden hem mee dat hij moest zien weg te komen, aangezien hij in hun ogen weinig kans maakte de winterperiode te overleven. Na alsnog 'onder protest' een erewoordverklaring te hebben ondertekend mocht Best eind oktober 1941 naar Nederland terugkeren. Met ingang van 1 november van dat jaar werd hem eervol ontslag verleend uit de militaire dienst.

In 1945/1946 was Best lid van de Commissie Verantwoording Krijgsgevangen Officieren, die de regering moest adviseren over de zuivering van het het Nederlandse officierskorps. Verder maakte hij van 1946 tot 1951 deel uit van de Commissie Militaire Onderscheidingen en was hij van 1946 tot 1 februari 1957 militair raadsheer in de Bijzondere Raad van Cassatie.

Best, militair in hart en nieren, stond bekend als een energiek en humaan commandant. Hij was een man van weinig woorden en in de omgang tamelijk gereserveerd. Gedurende zijn militaire loopbaan toonde hij zich een vastberaden en kundig officier. Daar Best na de oorlog voor zijn verdiensten niet de erkenning kreeg waarop hij had gehoopt, raakte hij enigszins verbitterd en ging hij heen als een teleurgesteld man

P: Behalve de in de tekst genoemde publikatie: 'Ons vestingstelsel, bezien in het licht der jongste oorlogservaringen', in Orgaan der Vereeniging ter beoefening van de Krijgswetenschap (1920/1921) 355-467; 'De invloed van chemische strijdmiddelen op de oorlogvoering', ibidem (1924/1925) 79-172; 'Het tijdperk van 1 nov. 1933 tot 1 april 1937', in Gedenkboek van de Luchtvaartafdeeling, 1913-1938 . Samengest. door J.W. Wijn (Utrecht, 1938) 51-58.

L: Behalve necrologieën o.a. in Onze Luchtmacht 12 (1960) 89-90 en in Sinte Barbara 12 (1960) 3 (mei) 5-6: verhoren van P.W. Best, in Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 Ic ('s-Gravenhage, 1949) 125-132, 461-466 en VIIIc ('s-Gravenhage, 1956) 771-774, 1342-1343; S.H. Hoogterp, Strijd om ons luchtruim. De opbouw en de beslissende strijd onzer luchtverdediging 10 - 15 Mei 1940 ('s-Gravenhage, 1950) 27-28, 49-50, 61-62, 71; L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog I-IV ('s-Gravenhage, 1969-1972); F.J. Molenaar, De luchtverdediging in de meidagen 1940 (2 dln.; 's-Gravenhage, 1970) 1, 22-23, 50-59, 921-946; R.C. de Bruin [e.a.], Illusies en incidenten. De militaire luchtvaart en de neutraliteitshandhaving tot 10 mei 1940 ('s-Gravenhage [1988]); Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. Onder red. van H. Amersfoort en P.H. Kamphuis ('s-Gravenhage, 1990); R. de Winter en E.H.J.C.M. Doreleijers, Luchtmachtstructuren in beweging. 80 jaar luchtmachtorganisatie ('s-Gravenhage, 1994). Een overzicht van de officiersrangen die Best doorliep in: Naam- en ranglijst der officieren 1940 (Gorinchem, 1940) 258.

I: Website World War II. Unit histories and officers: http://www.unithistories.com/officers/persons_dutch_army.html [23-1-2008].

R. de Winter


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 4 (Den Haag 1994)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013