Kromhout [Czn.], Willem (1864-1940)

 
English | Nederlands

KROMHOUT [CZN.], Willem (1864-1940)

Kromhout [Czn.], Willem, architect (Rotterdam 10-5-1864 - Voorburg (Z.H.) 21-6-1940). Zoon van Cornelis Kromhout, timmerman, later opzichter van openbare werken in Nederlands-Indië, en Hendrika Cornelia Roosa. Gehuwd op 17-5-1894 met Johanna Elisabetha Tegel (1872-1941). Uit dit huwelijk werden 2 zoons en 5 dochters geboren. Na echtscheiding (17-4-1928) gehuwd op 25-4-1930 met Jansje Johanna Stam (1899-1991). In dit huwelijk was 1 dochter.

afbeelding van Kromhout [Czn.], WillemWillem Kromhout verbleef van zijn tweede tot zijn tiende jaar in Nederlands-Indië, waar zijn vader opzichter van openbare werken was. In 1874 werd hij voor de schoolopleiding naar Nederland gestuurd. Aanvankelijk woonde Willem bij zijn grootouders in Gouda om er de lagere school te bezoeken. Van 1878 tot 1881 volgde hij lessen aan de Haagsche Ambachtsschool. Daarna deed Kromhout een tweejarige avondcursus ornamenttekenen en bouwkunde aan de Haagsche Teekenacademie. Geschoold in de neoclassicistische en neorenaissancistische vormentaal verliet hij in oktober 1883 de academie en vertrok, met de MO-akte tekenen op zak, naar Amsterdam.

Intussen deed Kromhout vanaf 1881 als tekenaar ervaring op bij verscheidene architectenbureaus. Eerst tot 1883 bij het bureau van H. Wesstra in Den Haag en daarna tot 1885 bij J. Gosschalk in Amsterdam. Een bezoek aan de Wereldtentoonstelling in Antwerpen bracht hem in contact met J.J. Winders. Vooral deze Belgische architect, bij wie hij van 1885 tot 1887 werkte, ontdekte in Kromhout de fabuleuze tekenaar, die met een snelle touche een bouwwerk, inclusief details, wist neer te zetten. Tot het einde van zijn leven achtte hij een brede historische vormenkennis onontbeerlijk voor een goede uitoefening van het architectenberoep; 'veel nateekenen en plastisch reproduceeren' waren daartoe een vereiste.

Na terugkeer in Amsterdam trad Kromhout in 1888 als tekenaar in dienst bij het architectenbureau van A.C. Bleijs, waar hij meewerkte aan de ontwerpen voor de Sint Nicolaaskerk. Hij besloot zijn leerperiode het jaar daarop bij de befaamde architect J. Springer. Deze vertrouwde hem de leiding toe over de verbouwing van hotel-restaurant 'Krasnapolsky' in Londen. Na zich met succes van deze taak te hebben gekweten, besloot Kromhout zich in 1890 als zelfstandig architect in Amsterdam te vestigen.

In de beginjaren als architect zag Kromhout zich echter genoodzaakt voornamelijk door nevenactiviteiten in zijn levensonderhoud te voorzien. Zo was hij van 1888 tot 1899 'artistiek bouwkundig leeraar' aan de Industrieschool van de Maatschappij voor den Werkenden Stand en van 1897 tot 1900 docent tekenen en ornamentleer aan de kunstnijverheidsschool 'Quellinus'. Deze betrekking verruilde Kromhout in 1900 voor een positie aan de Rijks Normaalschool voor Teekenonderwijzers en de Rijksschool voor Kunstnijverheid in het Rijksmuseum, waar hij architectuurgeschiedenis doceerde, met oosterse bouwkunst als specialisme. Aan beide instellingen zou hij tot 1910 verbonden blijven. In de jaren rond de eeuwwisseling was Kromhout ook met grote regelmaat als deelnemer of jurylid betrokken bij de prijsvragen die architectenverenigingen uitschreven. Zijn artikelen over bouwkunst in het algemeen en bouwstijlen in het bijzonder verschenen in het Bouwkundig Weekblad , De Opmerker , Architectura en De Kunstwereld .

In 1897 werd Kromhout toegelaten tot de Amsterdamse vrijmetselaarsloge 'Willem Frederik', waar hij vier jaar later tot meester werd benoemd. Voor het logegebouw in de Vondelstraat ontwierp hij in 1905 een nieuwe gevel, die duidelijk leek op een tempelfront. Tot aan zijn dood bleef Kromhout vrijmetselaar, hoewel hij slechts passief betrokken was bij de activiteiten van de Orde.

Sinds 1888 was Kromhout lid van het Amsterdamse genootschap 'Architectura et Amicitia'. Hierin speelde hij een actieve rol: van 1894 tot 1896 en opnieuw van 1908 tot 1910 had hij als voorzitter zitting in het bestuur en was hij tevens redactielid van het genootschapsblad Architectura . In deze functies spande Kromhout zich in voor de emancipatie van het architectenvak. Zo kwam er, om beunhazerij tegen te gaan, in 1908 een officiële vereniging van vakgenoten: de Bond van Nederlandsche Architecten (BNA); als medeoprichter nam Kromhout als vanzelfsprekend plaats in het voorlopige bestuur. Daarnaast was ook een betere opleiding noodzakelijk, waartoe in hetzelfde jaar aan de Amsterdamse Rijksacademie van Beeldende Kunsten het Voortgezet en Hooger Bouwkunst Onderricht in het leven werd geroepen. In tegenstelling tot de in hoofdzaak technische opleiding aan de Polytechnische School in Delft werd er in deze cursus veel aandacht besteed aan schoonheidsleer, kunstgeschiedenis en architectonisch ontwerpen. Kromhout gebruikte 'Architectura et Amicitia' bovendien als podium om zijn denkbeelden te ventileren over de prangende vraag in welke stijl architecten zouden moeten bouwen. Om af te rekenen met het stilistisch pluralisme, dat in de 19de eeuw in alle kunstvormen opgeld deed, opperde hij in zijn lezing 'Tout à l'égout' uit 1891 - in datzelfde jaar gepubliceerd in De Opmerker - het idee alle historische stijlelementen door het riool te spoelen.

Kromhouts eerste opdrachten betroffen enkele woonhuizen voor welgestelde particulieren in Dordrecht, Heemstede, Amsterdam, Hilversum, Zeist en Bussum. In de laatstgenoemde plaats woonde en werkte hij - met bureau aan huis - van 1901 tot 1903, waarna hij weer naar Amsterdam terugkeerde. In 1900 kreeg Kromhout, samen met de architect H.G. Jansen, zijn eerste grote opdracht: het 'American Hotel' aan het Amsterdamse Leidseplein, waaraan hij twee jaar zou werken. Als architect van 'American', waarvoor hij tevens het meubilair, de lamparmaturen en de glas-in-loodvensters ontwierp, vond hij zijn belangrijkste inspiratiebron in de oosterse bouwkunst. De rijke vormentaal en variëteit van de toegepaste materialen 'herinneren aan Arabische renaissance', zoals Kromhout in een van zijn schaarse commentaren toelichtte (Amsterdamsche Courant , 16-5-1902). In zijn essay 'Mohamedaansche kunst' (in: Zeven voordrachten over bouwkunst) uit 1908 stelde hij dat de oosterse bouwkunst het bewijs had geleverd dat constructie en decoratief effect goed kunnen samengaan.

Na 'American' moest het grootste deel van Kromhouts oeuvre nog ontstaan. De meeste van zijn bouwwerken zouden verrijzen in Rotterdam. Hier had hij zich met zijn gezin en zijn architectenbureau gevestigd, na er in 1910 te zijn aangesteld als hoofddocent bouwkunde aan de Academie voor Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen. In deze functie slaagde Kromhout erin het tekenen van de vijf klassieke bouworden - indertijd een belangrijk onderdeel van de bouwkunstopleiding - in 1914 uit het onderwijsprogramma te schrappen. Dergelijk onderricht zou volgens hem leiden tot doodse imitatie van bouwstijlen.

Dat Kromhout Amsterdam voor Rotterdam verruilde, hield tevens verband met de grootschalige bouwopdrachten die hier mogelijk in het verschiet lagen. Kort na elkaar werden prijsvragen uitgeschreven voor het stadhuis, het postkantoor en de beurs. Kromhout dong mee naar de opdracht voor het raadhuis en ontwierp in 1913, onder het motto 'Representatief', een 85 meter hoog belfort met dienstgebouwen op de hoeken, geaccentueerd door koepels. Het monumentale ontwerp - dat hem de bijnaam 'torenbouwer' opleverde - werd niet gehonoreerd. De jury vond de constructie van de kolossale toren, die als een gotische kathedraal van verre de aanwezigheid van een stad aankondigde, niet geschikt voor het Nederlandse klimaat. Daarmee viel Kromhouts plan hetzelfde lot te beurt als zeven jaar eerder zijn prijsvraaginzending voor het Vredespaleis in Den Haag, waarvan de toren overigens preludeerde op de hemelreikende gestalte uit het Rotterdamse stadhuisontwerp.

Toen Kromhout de opdracht kreeg voor de bouw van een groot hotel op de Dam in Amsterdam, dwong de Academie hem - uit vrees dat hij zijn functie niet meer naar behoren zou kunnen uitoefenen - in januari 1916 als hoofddocent ontslag te nemen. De bouw van dit hotel kwam echter niet verder dan het heien van de palen. Kromhouts definitieve terugkeer naar Amsterdam was daarmee van de baan. Hij bleef als zelfstandig architect in Rotterdam, ook nadat hij in 1925 naar Voorburg was verhuisd.

In deze Rotterdamse periode ontpopte Kromhout zich vooral als ontwerper van bedrijfsgebouwen en villa's voor reders, waarbij hem menige opdracht werd toegespeeld door de kunstminnende reder A.J.M. Goudriaan. Naast het stadhuisontwerp liet vooral het scheepvaartkantoor 'De Noordzee' aan de Wijnhaven uit 1919 de ingrijpende ontwikkeling zien die zijn vormentaal had doorgemaakt. Kromhout streefde naar dynamiek en climaxwerking en trachtte die te bereiken door zijn ontwerpen massaliteit en verticaliteit te verlenen. De toren is in deze benadering niet weg te denken. Dit 'boetseeren der kubieke massa' met de baksteen als basismateriaal, zoals Kromhout architectuur opvatte, komt het pregnantst tot uiting in de imposante villa die hij in 1918 in Noordwijk aan Zee bouwde voor de reder B.E. Ruys ('het fort van Ruys'), in het rijkgelede hoofdkantoor van de Scheepvaartvereeniging-Zuid uit 1922 ('de stenen boot') en de al even markante Drukkerij M. Wyt en Zonen uit 1925, beide in Rotterdam.

Hoewel Kromhout zich tot op hoge leeftijd een voorstander betoonde van de baksteenarchitectuur 'in al haar dartele vormenreeksen', boetten zijn latere producten aan vindingrijkheid in. Vereenvoudiging en verstrakking kwamen daarvoor in de plaats, wat vooral zijn weerslag vond in het pand voor de N.V. Handelsmaatschappij W.B. Diepeveen & Co. uit 1930 - 'het magazijn met de kleine pittige reclametoren' - en in het twee jaar later voor zijn vrijmetselaarsbroeder de bierbrouwer H.P. Heineken ontworpen kantoorgebouw, waarin een compromis wordt bereikt tussen een krachtige opzet en een decoratieve smaak. Deze zakenpanden vormen, samen met het naar het voorbeeld van de Engelse cottages voor Goudriaan ontworpen buitenhuis 'Ypenhof' uit 1929 en enkele andere woningen in de stadswijk Kralingen, Kromhouts laatste Rotterdamse scheppingen. Eveneens in 1929 kreeg hij van de Rotterdamsche Lloyd de opdracht de inrichting te ontwerpen van het passagiersschip 'Dempo', waarmee hij negen jaren later zelf een cruise in de Middellandse Zee zou maken. De economische crisis noodzaakte hem in 1932 zijn praktijk op te geven en kantoor te houden op de zolder van zijn huis in Voorburg.

Teleurstellingen bleven Kromhout in zijn privé-leven en werk niet bespaard. In 1920 verloor hij zijn jongste zoon, die slechts zeventien jaar werd, en enkele jaren later strandde zijn huwelijk; in 1930 hertrouwde hij met een 35 jaar jongere vrouw, bij wie hij een dochter had. Als architect moest Kromhout niet zonder bitterheid constateren dat het merendeel van zijn grootschalige projecten het papieren stadium niet zou ontstijgen. Ook zijn stedebouwkundige oplossingen voor het Rotterdamse Hofplein en de stadswijk Blijdorp bleven onuitgevoerd, hoewel het laatstgenoemde uitbreidingsplan uit de jaren twintig om zijn ideële vormgeving zeer werd geprezen door de Rotterdamse architectenvereniging 'Opbouw', waarvan Kromhout vanaf de oprichting in 1920 tot 1923 voorzitter was. Ook de bebouwingsvoorstellen die hij in 1931 maakte voor het uitbreidingsplan West in Den Haag, brachten het niet verder dan een maquette.

Van Kromhouts Rotterdamse oeuvre hebben, behalve 'De Noordzee', ook zijn eerste schepping in deze stad, de uit 1915 daterende Inrichting voor Ooglijders, alsmede de uitgaansgelegenheid 'Pschorr' uit 1922 het Duitse bombardement van mei 1940 niet doorstaan. Een maand vóór zijn overlijden bracht Kromhout een bezoek aan Rotterdam om de door het bombardement aangerichte schade te bekijken. Na de aanblik van de verwoestingen zei Kromhout - een liefhebber van ruïneachtige formaties - tegen zijn vrouw: 'De ruïnes zijn nog mooier dan mijn bouwwerken'.

Met H.P. Berlage en K.P.C. de Bazel behoorde Kromhout tot de wegbereiders van de moderne Nederlandse bouwkunst. Hij werd wel het kunstenaarsgeweten onder de Nederlandse architecten genoemd. In zijn essay 'Het rationalisme in Frankrijk' - in 1893 gepubliceerd in Architectura - pleitte Kromhout voor architectuur als kunst: 'Een bouwmeester moet vóór alles artist zijn, dat is gevoelsmensch'. In tegenstelling tot Berlage en De Bazel zocht hij de grondslag voor nieuwe architectonische uitdrukkingsvormen niet in het rationalisme, omdat dat naar zijn mening slechts kon leiden tot erbarmelijke gelijkmatigheid. Kromhout koos voor een intuïtieve benadering, waardoor hij vaak is gezien als degene die de aanzet gaf tot het expressionisme van de Amsterdamsche School.

Kromhout was een sprankelende polemist. Niet alleen in zijn talrijke artikelen over het vak, maar ook in de positie van bestuurder voerde zijn onorthodoxe benadering de boventoon. De waardering die zijn didactische eigenschappen ten deel viel, was unaniem. Kromhout heeft geen school gemaakt. Zijn stilistische invloed beperkte zich tot een strikt individueel niveau en was weliswaar van kortstondige, maar prikkelende aard. Van zijn later bekend geworden Rotterdamse leerlingen zou hij velen de weg van het functionalisme zien inslaan, een vormoplossing die hij diskwalificeerde als 'reminiscentenarchitectuur'. Maar alvorens C. van Eesteren, L.C. van der Vlugt, W. van Tijen, W.H. Gispen en J.J.P. Oud zich conformeerden aan de functionalistische beginselen, hadden allen zich als 'kleine Kromhoutjes' gemanifesteerd.

A: Archief-W. Kromhout Czn. in het Nederlands Architectuurinstituut te Rotterdam.

P: Het onder L genoemde werk van Jager bevat een lijst van uitgevoerde en onuitgevoerde werken van Kromhout (179-180), alsmede een bibliografie van zijn publicaties (181-182).

L: W. Retera Wzn., W. Kromhout Czn. (Amsterdam 1925); Architectura. Nederlandse architectuur 1893-1918 [Tentoonstellingscatalogus Stedelijk Museum te Amsterdam] (Amsterdam 1975) 29-50; Ida Jager, Willem Kromhout Czn., 1864-1940 (Rotterdam 1992).

I: Ida Jager, Willem Kromhout Czn., 1864-1940 (Rotterdam 1992) 12 [Kromhout in 1940].

I.W.M. Jager


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013