Wagenaar, Gerben (1912-1993)

 
English | Nederlands

WAGENAAR, Gerben (1912-1993)

Wagenaar, Gerben, (verzetsnamen Freek en Klaas), verzetsman en politicus (Amsterdam 27-9-1912 - Amsterdam 31-8-1993). Zoon van Dirk Wagenaar, lijnwerker bij de gemeentetram, en Tjitske Zoethout. Gehuwd op 28-10-1937 met Gerritje Cornelia Hiensch (1914-1995). Uit dit huwelijk werd 1 dochter geboren.

afbeelding van Wagenaar, GerbenGerben Wagenaar kwam uit een sociaal-democratisch gezin in de Amsterdamse Jordaan. Zijn vader was tot aan zijn dood in 1922 actief lid van de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij. Gerben, die na de ambachtsschool eerst werkzaam was als elektricien-instrumentmaker en daarna als meteropnemer bij het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf, maakte een andere keuze. In 1935 sloot hij zich aan bij de Communistische Partij van Nederland (CPN). Hij kwam er in de leiding van de overheidsgroepen, die - omdat de CPN voor ambtenaren verboden was - feitelijk een illegaal bestaan leidden. Deze politieke gezindheid kwam hem in 1939 op een royement uit het Nederlandsch Verbond van Vakvereenigingen te staan. Wagenaar was echter populair bij zijn medearbeiders, die ervoor zorgden dat hij na negen maanden weer als lid werd toegelaten.

Tijdens de mobilisatie was Wagenaar in Amersfoort gelegerd. Na de capitulatie van mei 1940 hervatte hij zijn werk in de nu illegale CPN en was hij onder meer betrokken bij de voorbereiding van de Februaristaking in 1941. Toen Duitsland vier maanden later de Sovjetunie aanviel, gaf de CPN-leiding opdracht gewapende sabotagegroepen te organiseren. Aan het hoofd hiervan kwam een Militaire Commissie te staan, ook wel Militair Contact (de 'Mil') genoemd, waarin Wagenaar, op grond van zijn legerervaring, werd opgenomen. Hij kreeg de militaire leiding buiten Amsterdam en werkte daarbij nauw samen met de verzetsgroep CS-6 onder leiding van de Haagse arts G. Kastein. Samen met hem bracht Wagenaar - alias 'Freek' of 'Klaas' - bijvoorbeeld in januari 1943 explosieven aan in de vergaderzaal van het college van secretarissen-generaal, een aanslag die overigens werd verijdeld. Een maand later wist hij te ontsnappen aan een door de Sicherheitsdienst nabij het Staatsspoor in Den Haag voor hem opgezette val.

In een poging het gewapend verzet te coördineren riep een groep illegale werkers in mei 1943 de Raad van Verzet (RVV) in het leven. Deze Raad telde zeven leden, van wie er één communist was. Al spoedig wees de CPN-leiding Wagenaar voor die functie aan. Tevens besloot zij de gewapende groepen van het Militair Contact in de RVV-organisatie te laten opgaan. Deze communistische verzetsstrijders waren de actiefste leden van de organisatie, en velen hielden de Raad daardoor ten onrechte voor een communistische organisatie. Wagenaars prestige binnen het verzet nam intussen verder toe: in januari 1944 ging hij deel uitmaken van de CPN-leiding, vanaf juli van dat jaar had hij namens de RVV zitting in de Grote Adviescommissie van de Illegaliteit en in november 1944 werd Wagenaar voorzitter en bevelhebber van de RVV. In de laatstgenoemde hoedanigheid vertegenwoordigde hij de Raad in de Delta-Commissie, de hoogste leiding van de Binnenlandsche Strijdkrachten, waaraan de RVV inmiddels ondergeschikt was gemaakt. Hij werd er benoemd tot 'wapenchef', belast met de verdeling over de verschillende verzetsgroepen van door geallieerde vliegtuigen afgeworpen wapens.

Na de bevrijding boden de formateurs van het eerste naoorlogse kabinet, W. Schermerhorn en W. Drees, Wagenaar een ministerschap zonder portefeuille aan. Daar kwam echter niets van, omdat de CPN-leiding daarnaast de post van minister van Voedselvoorziening, Landbouw en Visserij voor de aan haar hoofd teruggekeerde Paul de Groot opeiste. Na de bevrijding werd Wagenaar ook een functie aangeboden in de staf van prins Bernhard, met de rang van majoor. Hij voelde daar wel voor, maar koos - op aandringen van zijn partijgenoten - toch voor een bezoldigde partijfunctie. Bij de heroprichting van de CPN in juli 1945 werd Wagenaar tot lid van de partijraad gekozen. Deze wees hem vervolgens aan tot lid van het dagelijks bestuur en van het secretariaat van de partij. Voor de CPN kwam hij op 20 november 1945 in de Tweede Kamer. Op het eerste naoorlogse partijcongres in januari 1946 werd hij tot voorzitter van de CPN gekozen.

In de stalinistisch georganiseerde CPN was destijds niet de voorzitter de eigenlijke politieke leider, maar de algemeen secretaris. Die functie werd sedert 1938 - met enkele jaren onderbreking - vervuld door Paul de Groot. De voorzitter had een hoofdzakelijk decoratieve functie: hij leidde de vergaderingen van het partijbestuur en hield op de partijcongressen de openingstoespraak. Niettemin was Wagenaar, zeker gedurende het eerste naoorlogse decennium, duidelijk de 'tweede man' in de partijleiding. De Groot zag deze 'jongen uit het volk' en prestigieuze verzetsman als een waardevolle steun, die hem bij gebrek aan theoretische kennis - Wagenaar las vrijwel nooit - als leider niet naar de kroon kon steken. Zijnerzijds erkende Wagenaar het politieke primaat van De Groot, maar hij was niet bang voor hem en wist als één van de weinigen de grillige en heetgebakerde algemeen secretaris soms te matigen. Lange tijd hield De Groot Wagenaar binnen de partijleiding de hand boven het hoofd, toen deze allengs ongeschikt bleek voor de voorzittersfunctie: hij liet vaak verstek gaan bij belangrijke vergaderingen, ontweek de problemen, kwam afspraken slecht na en bereidde zich niet goed voor op zijn redevoeringen.

Wagenaars feitelijke werkzaamheden concentreerden zich aanvankelijk op zijn lidmaatschap van de Tweede Kamer. Bij de verkiezingen van 1946, 1948, 1952 en 1956 was hij lijstaanvoerder in alle kieskringen. Tot 1952 leidde hij de CPN-fractie. Met het verhevigen van de Koude Oorlog werd zijn optreden in de Kamer feller: in 1950 moest de voorzitter hem zelfs tot tweemaal toe door ordewachten uit de vergaderzaal laten verwijderen. Misschien dat hij zichzelf daarbij overschreeuwde, want achter de schermen bleef hij contact houden met sommige anticommunistische medekamerleden en behield hij zijn nuchterheid jegens andersdenkenden.

In 1952 kreeg Wagenaar de leiding over de interne partijorganisatie. Zijn zwakke kanten - waaronder zijn neiging veel te praten en weinig te luisteren - traden nu duidelijker aan het licht. Na een op last van De Groot ingesteld onderzoek werd Wagenaars functioneren op het zeventiende partijcongres, in april 1955, namens de leiding scherp gekritiseerd. Kort daarna werd hij als organisatieleider vervangen. Wagenaar bleef echter partijvoorzitter. Vanaf die tijd verslechterde zijn relatie met De Groot.

Nadat in 1956 in de Sovjetunie de 'destalinisatie' was begonnen, ontstond ook binnen het partijbestuur van de CPN een oppositie. Deze richtte haar pijlen vooral op het autoritaire leiderschap van De Groot en in het bijzonder op diens streven de door communisten gedomineerde Eenheids Vakcentrale (EVC) te liquideren. Aanvankelijk steunde Wagenaar de opposanten, maar vanaf september 1957 koos hij weer de kant van De Groot. In november 1957 mocht hij hem vergezellen naar een internationale conferentie van communistische partijen in Moskou, en begin 1958 werd hij - voor het eerst - aangewezen als lijstaanvoerder voor de in april te houden Provinciale-Statenverkiezingen in Noord-Holland. In maart 1958 veranderde hij plotseling opnieuw van houding, naar eigen zeggen omdat hij het oneens was met De Groots voornemen twee EVC-leiders uit de CPN te stoten. In een vakbondsvergadering nam hij het publiekelijk voor beiden op, en hij deed hiervan mededeling aan de pers. De CPN-leiding, die hierin verraad zag, reageerde onmiddellijk. Op 4 april 1958 werd Wagenaar met enkele anderen door het partijbestuur geroyeerd.

Wagenaar bleef evenwel met drie andere geroyeerde CPN'ers zitting houden in de Tweede Kamer, terwijl hij ook tot 1962 zijn vierjarige termijn in de Provinciale Staten van Noord-Holland uitdiende. Bovendien gingen de geroyeerden vanaf mei 1958 een eigen periodiek uitgeven: De Brug. Maandblad voor Vrede en Socialisme. Toen ze vervolgens besloten met een eigen lijst onder aanvoering van Wagenaar deel te nemen aan de eerstvolgende Tweede-Kamerverkiezingen, reageerde de CPN hierop met een ongehoorde hetze. Voorlopig hoogtepunt daarvan was de door het Kamerlid M. Bakker in november 1958 geschreven brochure De Communistische Partij in de oorlog. Hierin werd de verzetsreputatie van met name Wagenaar aangetast: hij zou in de bezetting voor de Britse geheime dienst hebben gewerkt, in wezen anticommunist zijn geweest en in de jaren na 1945 in de CPN 'een masker gedragen' hebben. De inhoud van dit rapport - het 'Rode Boekje' - werd door het negentiende congres in december 1958 als partijdocument aanvaard.

Bij de verkiezingen van maart 1959 bleef de lijst-Wagenaar met 0,58 % van de stemmen beneden de kiesdeler, zodat Wagenaar de Tweede Kamer moest verlaten. Drie maanden later richtten enige honderden Brug-aanhangers een nieuwe partij op, de Socialistische Werkerspartij (SWP). Wagenaar werd voorzitter, maar legde als zodanig al spoedig geen grote activiteit meer aan de dag. De SWP is nooit goed van de grond gekomen, vooral omdat zij geen duidelijk alternatief tegenover de politiek van de CPN wist te stellen. Op 18 december 1965 besloot de ledenvergadering om de partij op te heffen.

Wagenaar heeft zich na 1965 niet meer bij een partij aangesloten. Innerlijk heeft hij zijn band met het communisme waarschijnlijk nooit helemaal verloren. Nog in 1963 had hij de bemiddeling van de Sovjetambassade in Den Haag ingeroepen om tot een verzoening tussen de CPN en hem te komen, overigens zonder resultaat. Ook een in april 1967 mede door hem ondernomen poging om op een conferentie van Europese communistische partijen in het Tsjechoslowaakse Karlovy Vary, waaraan de CPN weigerde deel te nemen, als vertegenwoordiger van de Nederlandse communisten erkend te worden bleef zonder succes.

Na zijn vertrek uit de Tweede Kamer voorzag Wagenaar in zijn levensonderhoud als handelsvertegenwoordiger voor verscheidene kleine ondernemingen, totdat hij vroegtijdig medisch werd afgekeurd en een verzetspensioen van de Stichting 1940-1945 kreeg. Voor de belangen van oud-verzetsmensen is Wagenaar zich steeds blijven inspannen, en voor deze stichting heeft hij later in zijn leven veel werk verzet; van 1988 tot aan zijn dood was hij er lid van de raad van overleg. Buiten de politieke sfeer bleef Wagenaar een gewaardeerd man, onder meer bij de Amsterdamse voetbalclub De Volewijcker, waarvan hij zestig jaar lid en tientallen jaren bestuurslid was.

Gerben Wagenaars leven heeft iets tragisch door de keuze die hij in 1945 maakte. Terwijl vele anderen die - evenals hij - in het verzet tot grote hoogte waren gestegen, na de bevrijding opnieuw een bescheiden maatschappelijke positie innamen, liet Wagenaar zich door de CPN, die gebruik wilde maken van zijn verzetsreputatie, overhalen een hoge partijfunctie te aanvaarden. Hiertoe ontbraken hem echter niet alleen de vereiste eigenschappen, ook waren de karaktertrekken die hem in het verzet groot hadden gemaakt - naast fysieke moed tevens het vermogen op basis van respect samen te werken met andersdenkenden - hem in de door de Koude Oorlog sterk gepolariseerde politieke verhoudingen van zeer weinig nut. Enerzijds delend in het fanatisme dat in die jaren de CPN beheerste en anderzijds nog steeds innerlijk verbonden met de vele niet- en anticommunisten die in de bezettingsjaren zijn kameraden waren geweest, verloor hij ten slotte het vertrouwen van de meeste van zijn partijgenoten. In 1982 besloot een congres van de inmiddels gedestaliniseerde CPN het 'Rode Boekje' als partijdocument in te trekken, waarmee impliciet ook de beschuldigingen tegen Wagenaars oorlogsverleden werden teruggenomen. Deze heeft echter niet meer geprobeerd in zijn oude partij terug te keren.

A: Archief van de CPN in het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis te Amsterdam.

L: Behalve necrologieën en herdenkingsartikelen o.a. door Frits Groeneveld, in NRC Handelsblad, 2-9-1993, door Arnold Koper, in de Volkskrant, 2-9-1993, door Carel Brendel, in Algemeen Dagblad, 3-9-1993, door Wouter Gortzak, in NRC Handelsblad, 3-9-1993 en door Joost Divendal, in Trouw, 3-9-1993: verhoor van G. Wagenaar, in Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek [der] Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 IVc-2 ('s-Gravenhage 1950) 1531-1536 en VIIc ('s-Gravenhage 1955) 475-482; De eervolle weg van de vrijheid! Gerben Wagenaar en de strijd voor Nederlands onafhankelijkheid (Amsterdam 1952); interview, in Vrij Nederland, 21-3-1958; Wouter Gortzak, 'Gesprek met Gerben Wagenaar', in De Gids (1965) I, 208-219; idem, Kluiven op een buitenbeen. Kanttekeningen bij enige naoorlogse ontwikkelingen van het Nederlandse communisme (Amsterdam 1967); interview door Bibeb, in Vrij Nederland, 4-5-1968; A.A. de Jonge, Het communisme in Nederland. De geschiedenis van een politieke partij ('s-Gravenhage 1972); G.J. van Ojen jr., De Binnenlandse Strijdkrachten (2 dln.; 's-Gravenhage 1972); L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, vooral VII ('s-Gravenhage 1976); ibidem, Xb ('s-Gravenhage 1982); Frits Reuter, De Communistische Partij van Nederland in oorlogstijd. Herinneringen (Amsterdam 1978); De moeizame destalinisatie van de CPN. Documentatie over het conflict tussen de CPN en de Bruggroep, toen en nu. Onder red. van Joost Divendal [e.a.] (Amsterdam 1982); A.A. de Jonge, Stalinistische herinneringen ('s-Gravenhage 1984); Arnold Koper, Onder de banier van het stalinisme. Een onderzoek naar de geblokkeerde destalinisatie van de CPN (Amsterdam 1984); Hansje Galesloot en Susan Legêne, Partij in het verzet. De CPN in de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 1986); W.F.S. Pelt, Vrede door revolutie. De CPN tijdens het Molotov-Ribbentrop Pact, 1939-1941 ('s-Gravenhage 1990); Igor Cornelissen, 'Ruggegraat en karakter: Gerben Wagenaar', in Vrij Nederland, 18-9-1993; Ger Verrips, Dwars, duivels en dromend. De geschiedenis van de CPN, 1938-1991 (Amsterdam 1995); Dirk Engelen, Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst ('s-Gravenhage 1995).

I: A.A. de Jonge, Het communisme in Nederland. De geschiedenis van een politieke partij ('s-Gravenhage 1972) fotokatern tussen pp. 80-81.

A.A. de Jonge


Bovenstaande biografie weerspiegelt de stand van het onderzoek tot aan het jaar van publicatie in het gedrukte deel van het BWN. Dit jaar is hieronder weergegeven. Alle daarna verschenen literatuur is niet in de tekst verwerkt en wordt evenmin vermeld in de literatuuropgave (onder L).

Oorspronkelijke versie opgenomen in: Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002)
Laatst gewijzigd op 12-11-2013