|
Zoeken
TitelPeriode
Status
ProjectleiderBetrokkenenBijdragenRubriekenSelectie |
Brongersma, Titia© DVN, een project van ING en OGC (UU). Bronvermelding: Jensen Lotte, Brongersma, Titia, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. URL: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/Brongersma [06/10/2009] BRONGERSMA, Titia (geb. Dokkum, ca. 1650 - Groningen? na 1687), dichteres met belangstelling voor archeologie. Dochter van Bronger Wijtses, chirurgijn, en Aeltien Koertsdochter. Titia Brongersma bleef vermoedelijk ongehuwd. Titia Brongersma behoorde waarschijnlijk tot een aanzienlijke Friese familie. Mogelijk was haar grootmoeder een dochter van Bronger Brongersma (1559-1626), de secretaris van Kollumerland. In dat geval had zij familieleden die in vooraanstaande kringen in Leeuwarden verkeerden, onder wie de advocaat Julius Brongersma, burgemeester Hillebrandt Brongersma en Geesje Brongersma, echtgenote van Tobias Gutberleth, de rector van de Latijnse school. Het zou Brongerma’s betrekkingen met personen uit de maatschappelijke en culturele elites van Friesland en Groningen verklaren. Waarschijnlijk heeft zij later in de stad Groningen gewoond. Zij leefde in welstand: uit een van haar gedichten blijkt dat ze de beschikking had over een eigen ‘schrijfkamer’ waar ze zich kon terugtrekken om te werken. Brongersma verwierf onder meer bekendheid met haar archeologische werkzaamheden. In 1685 bracht zij de pinksterdagen door bij vrienden in het Drentse Borger, waar ze leiding gaf aan een opgraving bij de plaatselijke hunebedden. Haar vriend, de arts en oudheidkundige Ludolf Smids, deed er uitvoerig verslag van in zijn aardrijkskundig werk Schatkamer der Nederlandse oudheden (1711): ‘En ziet! Zij ontdekt […] voor het eerst veel kleine kiezelstenen, straat gewijs nevens malkanderen gezet. Hier onder stonden veel ronde potten, zeer ruw en plomp gevormd, bruinblauw of donker rood van verf […] Wat moeite zij ondertussen deed, om zulk een askannetje geheel uit deze hoop te lichten, zij vielen toch alle in scherven’ (327). Het is een van de oudste berichten over opgravingen bij Nederlandse hunebedden.
Opmerkelijk waren ook Brongersma’s activiteiten als dichteres. In 1686 verscheen De bron-swaan of mengeldigten, waarmee ze een van de eerste Nederlandse vrouwen was die een bundel niet-religieuze poëzie publiceerde. Uit het voorbericht sprak een zekere ambitie: ze hoopte dat er in de toekomst een tweede, vermeerderde druk zou verschijnen. Enige trots op haar ‘swaantje’ blijkt ook uit de vele woordspelingen op de titel elders in de bundel. Verder zag ze zich ondersteund door de nodige lofbetuigingen in het voorwerk van de bundel van vooraanstaande mannen, onder wie de Friese dichter Adriaan Tymens, de Franeker hoogleraar Nicolaas Blanckaert en de Groninger hoogleraar Johannes Mensinga.
De 240 pagina’s tellende bundel bestond voor het grootste deel uit gelegenheidsverzen. Verreweg de meeste gedichten waren bestemd voor vrouwen uit haar nabije omgeving, van wie enkelen met een adellijke titel. Ze prees hun kunstzinnige talenten of moedigde hen aan om hun schrijf- of studeertalenten verder te ontwikkelen. Brongersma vervulde zo een aanmoedigende rol ten aanzien van andere vrouwen. Onder de adressaten bevonden zich ook andere dichteressen, zoals Katharina Lescailje, Eelkje van Bouricius, Ida Maria Veelkers, Swaantje ter Horst en Klara Barthols. Ook zijn er erotisch-getinte vriendschapsgedichten voor een zekere Elisabeth Joly. Behalve De bron-swaan publiceerde Brongersma een drempeldicht in een werk van Smids en een gedicht op een brand in de veenrijke omgeving van Groningen. Het is onduidelijk of ze nog een tweede bundel, die Hemelsche orgeltoonen zou moeten heten, heeft gepubliceerd. Het vermoeden is ontstaan door een gedicht van Smids, maar er is geen exemplaar bekend. Waardering Achttiende- en negentiende auteurs waren vol lof over Brongersma’s archeologische opgravingen, maar haar poëzie werd in overwegend afkeurende termen beschreven. Zo heette De bron-swaan bij Van der Aa ‘een vrij onbeduidend bundeltje’, terwijl de auteurs van een reisverslag uit 1843 haar verzen typeerden als ‘wansmakelijk gerijmel’ (Drenthe in vlugtige en losse omtrekken geschetst, 149). Naslagwerken Van der Aa; Chalmot; Frederiks/Van den Branden; Kok; Lauwerkrans; NNBW; Witsen Geysbeek. Publicaties
Literatuur
Illustratie Titelplaat van De bron-swaan (1686). Auteur: Lotte Jensen laatst gewijzigd: 06/10/2009 |
