|
Zoeken
TitelPeriode
Status
ProjectleiderBetrokkenenBijdragenRubriekenSelectie |
Maria Louise van Hessen-Kassel© DVN, een project van ING en OGC (UU). Bronvermelding: Barthels Marjo, Maria Louise van Hessen-Kassel, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland. URL: http://www.inghist.nl/Onderzoek/Projecten/DVN/lemmata/data/HessenKassel [13/08/2010] MARIA LOUISE van HESSEN-KASSEL, vooral bekend als Marijke Meu (geb. Kassel, Duitsland 7-2-1688 – gest. Leeuwarden 9-4-1765). Dochter van Carl landgraaf van Hessen-Kassel (1654-1730) en Maria Amalia hertogin van Koerland (1653-1711). Maria Louise trouwde op 26-4-1709 in Kassel met Johan Willem Friso prins van Oranje (1687-1711). Uit dit huwelijk werden 1 dochter en 1 zoon geboren.
Regentes Na een huwelijk van amper twee jaar was Maria Louise al weduwe. Haar echtgenoot was sinds 1702 verwikkeld geweest in een dispuut over het testament van de in dat jaar kinderloos overleden stadhouder-koning Willem III, die hem tot universeel erfgenaam had benoemd. Dit testament was meteen aangevochten door – onder anderen – de Pruisische koning Frederik I, een neef van Willem III. Na jaren van onderhandelen leek in 1711 een oplossing voor de kwestie in zicht te zijn – maar Johan Willem Friso verdronk in het Hollands Diep toen hij onderweg was naar Den Haag voor de laatste onderhandelingen met Frederik I zelf. Zeven weken na de dood van Johan Willem Friso, op 1 september 1711, beviel Maria Louise van een zoon, Willem Karel Hendrik Friso. Deze gebeurtenissen zo kort na elkaar – ook haar moeder overleed datzelfde jaar – waren een aanslag op de gezondheid van de prinses. De problemen werden nog verergerd door de aanwezigheid van haar schoonmoeder, Henriette Amalia, die naar Leeuwarden was gekomen in de verwachting aangesteld te worden als regentes en voogdes voor haar pasgeboren kleinzoon. De Staten van Friesland gaven echter de voorkeur aan Maria Louise, met wie ze een betere verstandhouding hadden. Maria Louise was niet voorbereid op de bestuurlijke taken die ze opeens moest vervullen: ze was tenslotte pas zo’n anderhalf jaar in Leeuwarden en nog niet echt thuis in de verhoudingen binnen haar hofhouding, laat staan die binnen de Republiek. Ze kreeg te maken met de slepende erfeniskwestie, die pas in 1732 door haar zoon afgerond zou worden. Bovendien werd ze geconfronteerd met beperkte inkomsten en een grote schuldenlast opgebouwd door haar schoonmoeder. Met hulp van haar vader, die ook voogd over haar kinderen was, probeerde Maria Louise de financiën op orde te brengen en het kapitaal te vergroten dat de basis moest vormen voor de ambities van de Friese Nassaus, die zij van harte deelde. Reglementen voor de hofhouding moesten de onkosten omlaag brengen, ze beknibbelde op het onderhoud van diverse buitenplaatsen, en in Amsterdam liet ze enkele schilderijen uit de erfenis van Willem III veilen. Maria Louise’s schoonmoeder keerde ten slotte terug naar Duitsland. Nadat haar zoon in 1731 meerderjarig was geworden en beëdigd als stadhouder Willem IV, trad Maria Louise terug als regentes. Met een kleine hofhouding betrok ze het Princessehof in Leeuwarden en buiten de stad liet zij het huis Mariënburg bouwen. In 1732 werd met de Pruisische verwanten een akkoord bereikt over de erfenis en in 1734 slaagde Maria Louise erin voor Willem een huwelijk te regelen met de Engelse prinses Anna van Hannover, wat de familie internationaal meer status verleende. In 1747 werd Willem IV, na enige woelingen in de Republiek, in alle gewesten tot erfstadhouder benoemd en verhuisde hij met zijn hof naar Den Haag. Bij een herverdeling van bezittingen in 1731 had Willem IV zijn moeder de baronie van IJsselstein als douarie geschonken. In IJsselstein hadden de piëtistische graaf van Zinzendorf en zijn volgelingen, de Herrnhutters, een wijkplaats gezocht, nadat ze in Duitsland in moeilijkheden waren gekomen. Maria Louise had affiniteit met de Hernhutters, maar omdat zoon Willem IV beducht was voor politieke problemen rond deze religieuze groep, moest de prinses zich onthouden van openlijke steun aan hen. Wel zorgde ze ervoor dat zij elders, op slot Zeist, onderdak kregen. Na het overlijden van Willem IV in 1751 en van diens vrouw in 1759 werd Maria Louise, ondanks haar zwakke gezondheid, opnieuw door de Staten van Friesland benoemd tot regentes, nu voor haar kleinzoon. Samen met de hertog van Brunswijk-Wolffenbüttel ontfermde zij zich over de belangen en de opvoeding van haar kleinzoon, de toekomstige Willem V. Dit regentschap leidde tot conflicten met haar kleindochter Carolina, die een aandeel in de voogdijschap van haar broer had gewild. Toen Willem in 1765 zeventien jaar werd, trachtte de anti-Brunswijk factie in Friesland de jonge prins volwassen te verklaren en hem tot stadhouder te verheffen. Zeer waarschijnlijk heeft Maria Louise niet begrepen dat deze actie gericht was tegen Brunswijk, want zij beschouwde het voorstel als een motie van wantrouwen tegen haarzelf. Na haar heftige reactie werd het voorstel ingetrokken. Een maand na dit incident, op 9 april 1765, overleed Maria Louise aan een beroerte. Zes dagen later werd zij in de Grote Kerk van Leeuwarden bijgezet in het familiegraf van de Oranje-Nassaus. Reputatie In tegenstelling tot haar schoonmoeder was Maria Louise zeer geliefd in Friesland. Haar Friese bijnaam Maaike Muoi (tante Marijke) wijst op haar populariteit. De bijnaam werd vernederlandst tot Marijke Meu en onder die naam is ze ook nu nog bekend. Biografen en historici beschrijven haar als godvruchtig en bescheiden, en haar optreden als eenvoudig en innemend, maar vasthoudend waar het de stadhouderlijke ambities van de Fries Nassaus betrof. Er zijn verscheidene biografiën en uitvoerige biografische artikelen aan haar gewijd. In 1970 verwerkte Dieuwke Winsemius haar leven zelfs tot een roman. Naslagwerken Van der Aa; Van Ditzhuyzen; Kobus/De Rivecourt; NNBW; Oranje-Nassau van A tot Z; Scheltema; Verwoert; URL: www.koninklijkhuis.nl [laatst geraadpleegd december 2009]. Literatuur
Illustratie Portret door Johan Philipp Berr, 1720-1756 (Rijksmuseum, Amsterdam). Auteur: Marjo Barthels laatst gewijzigd: 13/08/2010 |
Maria Louise was
het elfde kind van Carl van Hessen-Kassel en Maria Amalia van Koerland. Ze
bracht haar jeugd door op het ouderlijk slot in Kassel, waar ze een gedegen
protestantse opvoeding kreeg. Haar vader stond goed bekend in de Republiek: hij
was een gewaardeerd bondgenoot in de anti-Franse coalitie, zijn zoons waren in
Staatse dienst en hij was een oomzegger van Frederik I, de protestantse koning
van Pruisen. Dit alles maakte dat de moeder van de Friese stadhouder Johan
Willem Friso,